> Infohoek > > De Nabestaandenuitkering.
|
|
De Nabestaandenuitkering.
|
|
Titel:
|
De Nabestaandenuitkering.
|
|
Auteur:
|
Netwerkjuristen.nl
Netwerkjuristen bestaat uit een team van rechtenstudenten en professionals. Hieronder staat een vraag die door hen is behandeld.
|
|
Veel mensen gaan er vanuit dat er altijd zondermeer het recht bestaat op een nabestaandenuitkering na het overlijden van de partner. Dit is echter niet het geval. De wetgever heeft een aantal voorwaarden gesteld waaraan voldaan dient te worden om een nabestaandenuitkering (ANW) te kunnen ontvangen. In dit artikel zetten we de basis voorwaarden voor u op een rij. Wij baseren ons op de algemene nabestaandenwet van 21 december 1995 geldend tot op heden (29 oktober 2006).
Naast het recht op bijvoorbeeld een pensioenuitkering bestaat er ook het recht op een nabestaandenuitkering. Nabestaanden hebben pas recht op deze uitkering als er aan een aantal voorwaarden is voldaan. Zo stelt de wetgever als voorwaarden dat een nabestaande een minderjarig, inwonend, ongehuwd kind moet hebben. Of zelf arbeidsongeschikt is op de dag van het overlijden van de partner. Ook stelt de wetgever dat er pas recht bestaat op de nabestaandenuitkering als de nabestaanden geboren is voor 1 januari 1950. (Art. 14 lid 1 sub a,b & c ANW. Zie onder).
Er is geen recht op een nabestaandenuitkering als de nabestaanden wiens echtgenoot is overleden binnen een jaar, nadat hij met die echtgenoot is gehuwd en de gezondheidstoestand ten tijde van de huwelijkssluiting zulks redelijkerwijs moest doen verwachten dat de echtgenoot zou kunnen overlijden. (Art. 15 lid 1 ANW. Zie onder).
Het recht op de nabestaandenuitkering eindigt zodra er aan een van de voorwaarden niet meer word voldaan, of als de leeftijd van 65 jaar is bereikt. (Art. 16 lid 1 ANW. Zie onder).
Netwerkjuristen.nl hoopt u met deze informatie voldoende geïnformeerd te hebben.
Met vriendelijke groet, Netwerkjuristen.nl
Artikel 14 ANW 1.Recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande die: a.een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort; of b.arbeidsongeschikt is 1°.op en sedert de dag van overlijden van de verzekerde, of 2°.op en sedert de laatste dag van de maand waarin hij niet meer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in onderdeel a, en wiens arbeidsongeschiktheid na de onderscheidenlijk onder 1° en 2° bedoelde dag ten minste drie maanden voortduurt, dan wel ten aanzien van wie aannemelijk is dat de arbeidsongeschiktheid tenminste drie maanden na de vorenbedoelde dag zal voortduren; of c. geboren is voor 1 januari 1950. 2.Het recht op nabestaandenuitkering gaat in op de eerste dag van de maand van overlijden van de verzekerde. 3.Voor de nabestaande die op de dag van overlijden van de verzekerde niet voldoet aan de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, omdat het kind op het moment van overlijden tot het huishouden van een ander behoort, gaat het recht op nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de maand waarin hij als gevolg van het overlijden wel aan die voorwaarde voldoet. 4.Voor de nabestaande die geen recht heeft op een nabestaandenuitkering op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel d, gaat het recht op een nabestaandenuitkering in op de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het overlijden van de verzekerde, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert. 5.De Sociale verzekeringsbank kan, in afwijking van het vierde lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 15 ANW 1.Geen recht op nabestaandenuitkering heeft de nabestaande: a.wiens echtgenoot is overleden binnen een jaar, nadat hij met die echtgenoot is gehuwd en de gezondheidstoestand ten tijde van de huwelijkssluiting zulks redelijkerwijs moest doen verwachten; of b. indien de echtgenoot binnen een jaar na aanvang van zijn verzekering is overleden en de gezondheidstoestand ten tijde van de aanvang van de verzekering zulks redelijkerwijs moest doen verwachten; of c. indien de echtgenoot door de nabestaande of met zijn medeplichtigheid opzettelijk van het leven is beroofd. d. die een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; e. die al recht op een nabestaandenuitkering op grond van deze wet heeft en die nadien wederom nabestaande is geworden als gevolg van het overlijden van de hulpbehoevende met wie hij een gezamenlijke huishouding voerde ten behoeve van de verzorging van die hulpbehoevende. 2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de gevallen waarin de overledene op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 13, tweede lid, of bij of krachtens een overeenkomst of een regeling inzake sociale zekerheid, die tussen Nederland en een of meer mogendheden van kracht is, ingevolge deze wet nimmer of nog geen jaar verzekerd is geweest, regels worden gesteld, die afwijken van het eerste lid. 3.Geen recht op nabestaandenuitkering ontstaat, indien de echtgenoot overlijdt in of na de maand waarin de nabestaande de leeftijd van 65 jaar bereikt. 4.De onderdelen a en b van het eerste lid zijn niet van toepassing indien de nabestaande, zo hij niet opnieuw zou zijn gehuwd, recht op nabestaandenuitkering zou hebben gehad.
Artikel 16 ANW 1.Het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien: a. niet langer aan de voorwaarden van artikel 14, eerste lid, onderdelen a en b , wordt voldaan, tenzij de nabestaande is geboren voor 1 januari 1950; of b. de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende; of c. de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt. 2.Het recht op uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden zich voordoen, maar in geval van onderdeel c met ingang van de eerste dag van de maand, waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. 3.Voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid, onderdeel b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is geëindigd herleeft het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert. 4.De Sociale verzekeringsbank kan, in afwijking van het derde lid, een langere termijn vaststellen indien de toepassing wat de termijn van zes maanden betreft, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
© 2006 Netwerkjuristen.nl
Niets van deze uitgave mag zonder schriftelijke toestemming van de auteur worden overgenomen of worden gepubliceerd.
|
|
Netwerkjuristen.nl is gestopt.
|
|
Toegevoegd op 29 oktober 2006
|